Punt 6 (bijlage no. 12). De voordracht van B. en W. luidt als volgt: H. Beers, alhier. Benoemd wordt de heer Beers, met 34 stemmen (1 bilj. blanco). De heren Bootsma en IJtsma vormden het stem bureau. Punten 7 t.e.m. 12 (bijlagen nos. 22, 19, 30, 20, 31 en 16). Z.h.st. wordt besloten overeenkomstig de voorstellen van B. en W. Punt 13 (bijlage no. 9). De heer Heidinga herinnert er aan, dat het voorstel, dat thans aan de orde is, ook reeds op de agenda van de vorige vergadering voorkwam. Het is toen aange houden, omdat er bij de voorbereiding van de erfpachts uitgifte een kwestie was gerezen, die enige nadere op heldering behoefde. Tot spr.'s spijt is het college er niet in geslaagd deze kwestie op te lossen; het is ten minste niet in de richting gegaan, die spr. graag had zien ingeslagen. En dat is dan ook de reden, waarom hij hierover enkele opmerkingen wil maken. Indien zijn inlichtingen juist zijn, dan was bedoeld terrein in optie gegeven aan de fa. Wijbenga; dat is al een tijdje ge leden. De rentevoet was toen bepaald op 5 Deze firma deed de mededeling aan het Grondbedrijf, dat ze van het terrein afzag en omstreeks dezelfde tijd kwam de fa. Van der Meulen en Pijnacker ook bij het Grondbedrijf om grond te vragen voor eengezins woningen en na enkele besprekingen, waarin, naar spr. meent, ook de wethouder nog gemoeid was, is het ter rein door de directeur van het Grondbedrijf aan Van der Meulen en Pijnacker toegezegd. Hierbij kwam nog aan de orde, dat de rentevoet 5V£ was geworden, maar daar maakte de gegadigde aanvankelijk bezwaar tegen en vroeg aan de directeur van het Grondbedrijf, of het niet mogelijk was de grond tegen 5 in erfpacht te krijgen. De directeur zegde toe, daarnaar nog te willen informeren, doch stelde tevens aan de gegadigde de vraag: Maar als de rentevoet 5% blijft, wenst IJ dan evengoed in aanmerking te komen Neen, zei daar op een der firmanten, neen, dan wordt de erfpacht te hoog. Daarna is er iets scheef gelopen. Nog diezelfde dag overlegden de firmanten de zaak met makelaar Hellema en kwamen tot de conclusie, dat het toch wel aantrekkelijk was op dit terrein te bouwen, ook als de rente 5J/2 zou bedragen. Ook diezelfde dag gingen de firmanten naar het Grondbedrijf om mede te delen, dat zij, ook al zou het niet mogelijk zijn de rente op 5 te stellen, toch gaarne voor de grond in aanmerking zouden komen. Daarop heeft de directeur toegezegd, die mededeling aan het college van B. en W. te zullen doorgeven, maar zij heeft dit college nimmer bereikt. In plaats daarvan zijn de stukken uitgegaan, die geleid hebben tot het voorstel, dat thans aan de orde is. Nu dit alles zo is gepasseerd, lijkt het spr. niet juist, dit terrein aan de firma Kats toe te wijzen. Voordat hij een voorstel doet, wacht hij met belang stelling af, of de wethouder nog een ander licht op deze zaak kan laten schijnen. Spr. heeft geen enkele aanleiding op het beleid van de wethouder iets aan te merken, maar hij heeft wellicht ten overvloede toch even het zo juist opgemerkte naar voren willen brengen. De heer Van der Schaaf (weth.) zegt, dat de mede delingen, die de heer Heidinga heeft gedaan, wel in hoofdzaak juist zijn. Spr. heeft daarin tenminste niet iets gehoord, dat niet juist zou zijn. Hij wil er alleen nog aan toevoegen, dat de verhoging van de canon niet alleen tot het rentepercentage is terug te leiden, maar ook tot het feit, dat de aanbieding aan de fa. Wijbenga was gedaan op een geringere bouwbreedte van het blok. Deze was, naar spr. meent, oorspronkelijk 44 m bij een diepte van 8 m. Inmiddels is het uitbreidingsplan iets gewijzigd, waardoor de bouwdiepte 9 m en de bouw breedte de lengte van het blok dus 46 m is ge worden. Daardoor is een groter classificatie-oppervlak ontstaan en ook dat is mede de oorzaak, dat in de aanbieding aan de fa. V. d. Meulen en Pijnacker een hogere canon is gesteld dan in de aanbieding aan de fa. Wijbenga, welke aanbieding, zoals de heer Heidinga trouwens ook opmerkte, al geruime tijd geleden is gedaan. Het verloop is, zoals spr. reeds zeide, door de heer Heidinga wel juist gerelateerd. Het is n.l. zo ge gaan: Op zekere dag is dit stuk grond door de directeur van het Grondbedrijf aan de fa. V. d. Meulen en Pijnacker aangeboden. Uiteraard gebeurt een dergelijke aan bieding steeds onder het voorbehoud van goedkeuring van B. en W. en raad, maar uiteindelijk is het ook al weer veelvuldig zo, dat zo'n aanbieding wel ge honoreerd wordt. De heren V. d. Meulen en Pijnacker hebben dus met de directeur van het Grondbedrijf het gesprek gevoerd, dat de heer Heidinga heeft weerge geven. Daarbij heeft een van de firmanten ten slotte gezegd: Als wij die rente van 5% moeten opbrengen wat neerkomt op een canon van f 95,per woning dan zien wij van de transactie af. Deze mededeling is doorgegaan naar het stadhuis, naar de afdeling alge mene zaken, en heeft het college bereikt. Volgens mede deling van deze firmant persoonlijk aan spr. wat dus klopt met wat de heer Heidinga zeide is de volgende dag weer een van de firmanten naar het Grondbedrijf gegaan en heeft gezegd, dat de mede deling, dat hij afstand deed van zijn eerste aanvraag, werd herroepen. Daarna is een hapering ontstaan, want die laatste mededeling heeft het college niet bereikt. Die heeft spr. persoonlijk niet eerder bereikt, dan na dat al een aanbieding aan de fa. Kats was gedaan. En bij navraag is ook gebleken, dat deze mededeling op het stadhuis niet is aangekomen. Er klopt nog iets niet, want de directeur van het Grondbedrijf meent zich positief te herinneren, die mededeling wel te hebben gedaan, maar ter plaatse, waar die mededeling zou moeten zijn ontvangen, is zij, naar bij navraag is ge bleken, niet doorgekomen. De betrokken ambtenaar heeft spr. gezegd, dat hij pas geruime tijd nadat de aanbieding aan de N.V. Kats was gedaan, kennis heeft gekregen van het feit, dat de fa. V. d. Meulen en Pijnacker bij nader inzien toch wel als het niet anders kon die hogere canon, die ook in de raads- brief staat vermeld, accepteren zou. Dat zijn de feiten. En wat is nu de beste oplossing, die gekozen kan wor den? Naar spr.'s mening zijn B. en W. verplicht aan de raad voor te stellen, dat deze grond aan de N.V. Kats wordt uitgegeven. Wanneer men die zaak naar de regelen van het burgerlijk verkeersrecht beschouwt, dan liggen de feiten zo, dat de fa. Kats een aanbieding heeft ontvangen, die zij heeft geaccepteerd, en het zou, naar spr. meent, niet goed zijn, dat B. en W. en de raad hun geaccepteerde toezegging zouden terugnemen. T.a.v. de fa. Van der Meulen en Pijnacker ligt de zaak anders. Deze heeft een aanbieding gehad en haar ge weigerd, waarmee het college vrij was. Het risico, dat die herroeping niet op de bestemde plaats zou komen, was voor die firma. Wanneer zij onmiddellijk de hogere canon had aanvaard niet na eerst te weigeren en na nader beraad toch die hogere canon te accepteren dan had zij de grond kunnen krijgen. Daarom meent spr., dat in dit geval de grond aan de N.V. Kats in erfpacht moet worden gegeven. Daar komt nog iets anders bij. Na deze hapering heeft de fa. Van der Meulen en Pijnacker aan het Grondbedrijf gevraagd: Kunt U, ter compensatie van het verlies, dat wij lijden, ook een ander stukje grond aanbieden? Dat is door B. en W. in overweging ge nomen; zij hebben toen aan dit verzoek voldaan en wel door het aanbieden van een stukje bouwterrein op de hoek van het Cambuurplein, gelegen in het uitbreidings plan Schoppershof, maar die aanbieding is door deze firma niet geaccepteerd kunnen worden. Het makelaars kantoor Hellema heeft hierover nog aan het college geschreven en B. en W. hebben de indruk, dat de firma het er nu bij laat. Dat schrijft het kantoor Hellema ook, in een brief, waarin men zich overigens over dit voorval heeft beklaagd. „Wij zullen het er nu maar bij laten" schrijft men, maar men hoopt dan op een toe zegging voor een stukje grond, dat dan wel geaccep teerd kan worden. In zoverre hebben B. en W. dus getracht de ge 3 maakte plooien glad te strijken, dat zij een stukje grond hebben aangeboden, waar ongeveer evenveel huizen op kunnen staan, maar die aanbieding heeft men niet kunnen accepteren, overigens ook weer niet zonder opgave van reden. De reden daarvoor was n.l., dat het aanbod betrof een strookje grond voor onder- en bovenwoningen, die blijkbaar voor bouwers als dezen minder goed van de hand gaan, dan volledige eenge zinswoningen. Dat neemt niet weg, dat B. en W. bereid zijn om alsnog aan de fa. Van der Meulen en Pijnacker een stukje grond aan te bieden, wanneer dat zich voor doet. De grond voor deze bouw is op het ogenblik erg krap, maar wanneer er door bedanken van een ander een stukje grond vrij komt, dan zijn B. en W. genegen om de firma Van der Meulen en Pijnacker het eerst in aanmerking te laten komen. Wanneer zij dus alles overzien, dan menen zij, dat er reden is het voorstel om dit terrein aan de N.V. Kats in erfpacht te geven een betere en rechtens gezien een juistere op lossing te achten dan een voorstel om het aan de firma Van der Meulen en Pijnacker in erfpacht over te dra gen. Deze laatste heeft de kans gehad, maar heeft bedankt, waardoor de hapering is opgetreden, zoals spr. heeft geschetst. Spr. meent, dat op de door hem aangegeven gronden het voorstel van B. en W. moet worden gehandhaafd en hij beveelt dus de aanneming daarvan bij de raad aan. De heer Heidinga spijt het, dat hij niet helemaal met de wethouder kan meegaan. Deze stelt het, alsof de gemeente rechtens eigenlijk verplicht zou zijn de grond aan de N.V. Kats in erfpacht te geven, maar ook bij overdracht aan deze N.V. is toch altijd de restrictie gemaakt, dat de raad die overdracht nog moet goed keuren. Wat dat betreft, is de raad dus nog helemaal vrij. Het terrein, dat de firma Van der Meulen en Pijnacker is aangeboden en dat gelegen is in het uit breidingsplan Schoppershof, is eigenlijk niet vergelijk baar met het terreintje aan de Lijsterbesstraat. De raads leden zullen bovendien hebben begrepen, dat de firma Van der Meulen en Pijnacker maar een klein bedrijfje is met niet zo'n grote financiële armslag. Daarom heeft ze ook geprobeerd de grond tegen een zo laag moge lijke canon in erfpacht te krijgen. Het is dus op zich zelf die mensen niet kwalijk te nemen, dat ze eerst hebben bedankt, maar ze hebben toch ook heel vlug te kennen gegeven, dat ze het terreintje aan de Lijster besstraat toch wèl wilden hebben. Daar is heus niet zo veel tijd tussen verlopen. En spr. meent, dat aan de N.V. Kats net zo goed een vrijkomend terreintje ter compensatie kan worden aangeboden als aan de firma Van der Meulen en Pijnacker. Spr. constateert hierbij, dat zijn mening, dat de toezegging, door de directeur van het Grondbedrijf aan de firma Van der Meulen en Pijnacker gedaan, door de wethouder was bevestigd, toch wel juist was. Hij meent, dat er alle reden is om van het voorstel van B. en W. af te wijken. Spr. neemt aan, dat B. en W. volkomen te goeder trouw zijn geen haar op zijn hoofd denkt er aan, dat dit niet het geval is maar nu de raad van de voorgeschiedenis weet, is de zaak toch wel wat anders komen te liggen. Juist voor een klein bedrijfje is dit terreintje aan de Lijsterbesstraat uitermate geschikt, omdat het maar 7 huizen kan bevatten. Het is geknipt voor de firma Van der Meulen en Pijnacker, die hiervoor dan ook zeer geporteerd is, terwijl de N.V. Kats, die spr. heus wel kan waarderen als bouwer, wel grotere terreinen aan kan. Die kan wel wat meer doen. Spr. zou niet graag willen, dat bij een gemeentelijke instantie en ook bij de raad de rechten van de kleine man niet in ver trouwde handen zouden zijn. Daarom is het zo mooi, dat de raad uiteindelijk de beslissing heeft en datgene wat een tikje scheef ligt of kans loopt scheef te gaan liggen, recht kan trekken. Spr. gelooft, dat het het eenvoudigste zou zijn, dat de raadsleden tegen het voorstel van B. en W. stemmen, wat impliceert, dat de raad er prijs op stelt, dat het terreintje aan de Lijsterbesstraat wordt toegewezen aan de firma Van der Meulen en Pijnacker, die in eerste instantie de aanvraagster was. De heer Mani zou graag deze vraag willen stellen: Wanneer de herroeping door de firma Van der Meulen en Pijnacker wèl te bestemder plaatse was gekomen, was dit terreintje dan ook aan de N.V. Kats aange boden? Spr. meent van niet. Als het aan een interne fout in het gemeentelijk organisme ligt, dat iemand hier de dupe wordt, dan vindt spr. dat bepaald niet prettig. De firma Van der Meulen en Pijnacker heeft, wat haar betreft, te bestemder plaatse medegedeeld, dat zij haar weigering herroept. Wat kon deze firma op dat ogenblik meer doen? Niets. Over de wettelijke rechten over wat juridisch misschien juister ligt kan spr. niet oordelen, maar het morele recht, dat de firma Van der Meulen en Pijnacker heeft, lijkt hem toch heel wat sterker. Spr. is, na alles wat hij gehoord heeft, persoonlijk althans, niet zo ver, dat hij voor dit voorstel van B. en W. kan stemmen. De heer W. M. de Jong wil hier alleen dit van zeggen, dat hij zich kan voorstellen, dat, toen de zaak in B. en W. eenmaal zo ver was, dat de N.V. Kats het bouwter rein had geaccepteerd, het voor het college wat moeilijk was, om op deze toezegging terug te komen. Maar spr. gelooft, dat B. en W., het voorstel voor de raad voor bereidende, er iets anders tegenover stonden dan de raad nu staat. De raad heeft die voorbereiding gezien, maar er zelf niet aan meegewerkt. Hij staat dus naar spr.'s mening wel iets vrijer. Dat vindt spr. wel door slaggevend, wat de formele kant van de zaak betreft. Hij gelooft, dat, als het even kan, de firma Van der Meulen en Pijnacker alsnog dit stukje grond in erf pacht moet hebben, zoals ook de heer Mani betoogde. Dit alles bij elkaar doet spr. er toch even toe over hellen, tegen het voorstel van B. en W. te zijn. De heer Van der Schaaf (weth.) kan het tot zijn spijt niet met de drie sprekers eens zijn, want hij voelt de zaak zo aan, dat, wanneer t.a.v. de N.V. Kats terug getreden wordt, deze meer reden heeft om zich te be klagen dan de firma Van der Meulen en Pijnacker. Men moet n.l. dit goed begrijpen: De N.V. Kats komt op hetzelfde adres, langs de normale weg, een stuk grond vragen. Dit stuk aan de Lijsterbesstraat wordt haar aangeboden en het wordt zonder reserve geac cepteerd. Wat moet de N.V. Kats nu denken, als het aanbod wordt ingetrokken? Wanneer men de positie van de laatste aanvraagster, de N.V. Kats, vergelijkt met die van de firma Van der Meulen en Pijnacker, dan kan spr. niet anders zeggen dan dat hier de regels van het verkeer bij onderhandelingen e.d. beslist de doorslag geven ten gunste van de N.V. Kats. De firma Van der Meulen en Pijnacker toch heeft een aanbod gehad, maar dat verworpen. (De heer Mani: Daarna weer geaccepteerd.) De firma Van der Meulen en Pijnacker heeft het aanbod op de plaats, waar zij het eerst geaccepteerd had, later verworpen. De verwer ping nu is doorgekomen, maar de herroeping van de verwerping, die daarna heeft plaats gehad, is niet door gekomen. Het college kon dus en dat heeft de heer W. M. de Jong ook terecht opgemerkt in deze niet anders doen dan voorstellen de grond aan de N.V. Kats in erfpacht te geven. Maar spr. gelooft, dat de raad het college op deze weg moet volgen, omdat anders hij zei het zojuist reeds de N.V. Kats zich in meerdere mate te kort gedaan kan voelen dan de firma Van der Meulen en Pijnacker. Nu brengt de heer Heidinga iets in de discussie, dat er naar spr.'s mening niet in behoort en wel dit, dat de firma Van der Meulen en Pijnacker een klein bedrijf heeft en de N.V. Kats een groot. Nu kan men het wel graag aan een klein bedrijf gunnen en dat doet spr. ook wel, maar hij gelooft, dat dit niet een juiste wijze van beoordeling is. Wanneer men deze zaak beschouwt naar de verkeersregelen, die bij onderhandelingen gel den, dan moet men het feit van een kleiner of groter bedrijf buiten beschouwing laten. Spr. persisteert voor 100 bij zijn advies aan de raad om het voorstel van B. en W. te accepteren. De heer Heidinga vraagt stemming. Het voorstel van B. en W. wordt verworpen met 16 tegen 19 stemmen, die van de heren J. de Jong, B. van der Veen, Heidinga, Beuving, Kamstra, Balt, Van der Heijde en Mani, mevr. Hiemstra-Molenaar, mevr. Rin-

Historisch Centrum Leeuwarden

Raadsverslagen van de gemeente Leeuwarden, 1865-2007 (Notulen) | 1959 | | pagina 2