genaldus-van der Wal, de heren Klijnstra, Spiekhout, K. J. de Jong, Volbeda, W. M. de Jong, Bootsma en Jongbloed, mevr. Heijmeijer-Croon en de heer Engels. Punt 14 (bijlage no. 15). Z.h.st. wordt besloten overeenkomstig het voorstel van B. en W. Punt 15 (bijlage no. 32). De heer Bootsma c.s. stemt het voorstel, dat op het ogenblik ter tafel ligt, om een terreintje ter beschikking van de openbare leeszaal te stellen, tot verheugenis. Zij wisten, dat er al lang gezocht werd naar een ge schikt terrein voor dit filiaal en zij wisten ook, dat hel moeilijk was om hier een geschikt terrein te vinden. Daarom verheugt het hun, dat dus momenteel dit voor stel voor de raad ligt. Los van het gebouwtje, dat nu gesticht zal worden ten behoeve van de leeszaal, speelt hier ook bij de kwestie van de „ruïne" zo zal spr. het maar noe men die altijd nog ligt in het hart van het Juliana- park. Er is bij meerdere begrotingszittingen geïnfor meerd wat daar gebeuren ging en wanneer daar het verwachte of „geplande" theehuis eens zou verschijnen. Dat is om verschillende redenen tot nog toe niet ge realiseerd kunnen worden. En nu ligt dan hier dit voor stel. Uiteraard gaat het hier maar om een deel van het braak liggende terrein; er was bij de stukken een situatieschetsje, waarop het in erfpacht te verstrekken terreintje was aangegeven. Maar daarom toe ligt nog een veel groter deel, waarvan de bestemming momen teel althans voor zover spr. c.s. bekend nog niet vast staat. Nu men daar vermoedelijk toch aan de gang gaat, rijst bij spr. c.s. de vraag: wat gaat er nu gebeuren met de rest? Zou het mogelijk zijn, dat het college spr. c.s. daaromtrent iets nader zou inlichten? Dat zullen zij ten zeerste op prijs stellen. Spr. zou hier verder nog aan willen toevoegen, dat hij c.s. het zeer gewaardeerd zouden hebben, dat, in plaats van het overgelegde schetsplannetje van het ge bouwtje te midden van het plantsoen, bij de stukken, hoewel het misschien wel wat prematuur was, een schets van het gebouwtje zelf, die er toch wel zal zijn, gelegen zou hebben. Daar gaat het hier juist om. En spr. gelooft, dat meerdere raadsleden dit op prijs gesteld zouden hebben en dat dit ter adstructie van de raad wenselijk zou zijn. Het zal misschien niet moeilijk zijn, om het alsnog te achterhalen. De hear Santema mient, dat it der in soad op liket, dat de hear Pols syn pantsje thé net yn it Julianapark drinke sil. (De heer Bootsma: Of het moest in het ge bouwtje voor ouden van dagen zijn!) Spr. hat syn earste opmerking tusken heakjes bidoeld en wol nou oer it ünderwerp sizze, dat hy it idé om hjir yn it park in filiael fan de lêsseale yn to rjochtsjen wier prachtich fynt. Hy kin net oars as ek nammens syn fraksje in wurd fan hulde ütsprekke foar dit initiatyf, hwant in lêsseale al is it mar in filiael hat bihoefte oan rêst en dy fynt men gelokkich noch yn dit parkje; dat is fier genöch fan de greate forkearswei, dy't de Juliana- leane aensen wêze sil, öf, om dêr rêstich to lézen. Ien ding is ek sa moai: hwannear't dat plantsje ienkear ütfierd is en it geboutsje stiet der, dan sille de fytsers en autoriders forplichte wurde om by it bigjin fan it park harren fytsen en auto's del to setten en to staljen. Dat sil de rest ek bifoarderje. In ding fan bitsjutting liket spr. ek - en dêr hat de hear Bootsma niis al op wiisd dat de rie in sketsplantsje krijt, dêr't op to sjen is, hokker geboutsje dêr komt to stean. It liket spr. natuerlik fan greate bitsjutting ta, dat dêr net eat komme sil, dat heech boppe de algemiene bibouwing en boppe de biplanting fan it Julianapark ütrize sil. It sil in biskieden gefal wêze moatte, mar, hwannear't men de totoanstalling sjoen hat fan de 165 plannen foar de provinsiale bibleteek, dan sil men net üngerêst wêze oer it risseltaet fan it wurk fan de architekt, dy't dit plan üntwerpe sil. Dat kin hiel goed wurde. It giet nou om in terreintsje fan 210 m*; dat is mar in lyts diel fan de groun, dy't der noch sa mar hinne leit. Kin foar dat hiele terrein, mei it each op in fierdere ütwreiding fan dit filiael, dat bést ütgroeije kin ta in folsleine lêsseale, net in plan makke wurde Oars soe men miskien noch hinnegean kinne en meitsje dêr noch in soarte fan théhüs by. (En dan wie dochs foldien oan de winsk fan oare Huzumer riedsleden, dy't by safolle bigreatingssittingen dêr al foar pleite hawwe!) Spr. wol by einbislüt jitris syn tank ütsprekke foar dit skoan initiatyf. De heer W. M. de Jong constateert, dat dit voorstel twee elementen bevat. Over één is gesproken door de heren Bootsma en Santema en dan is er nog de kwestie van de terbeschikkingstelling van dit terrein voor een min of meer symbolische canon van f 1,per jaar. Met dit laatste kan spr. zich verenigen; hij zal, omdat dit een incidenteel geval is, geen vergelijkingen trek ken met eventuele andere mogelijkheden, die er op dit gebied, ook in verband met de leefbaarheid van de stad, zouden zijn. De plaats echter, waar dit filiaaltje zal komen, aan het unieke vijvertje, kan spr.'s instemming eigenlijk niet hebben. Het gaat om een van de mooiste plekjes van het Julianapark, te vergelijken met een der mooiste plekjes van het Rengerspark. Misschien is dit laatste de meeste raadsleden iets beter bekend. Heeft men zich wel eens voorgesteld, hoe het zou zijn, wanneer er midden in het Rengerspark een filiaaltje van de open bare leeszaal of een ander gebouwtje zou komen Enige bezorgdheid over dit geval is er misschien ook bij de heer Bootsma, gezien de opmerking, die hij heeft ge maakt en waarmee spr. instemt dat het prettig zou zijn, als er een schetsplannetje van het gebouwtje bij de stukken zou hebben gelegen. De heer Santema heeft gezegd, dat de aard van het gebouwtje goed zou passen in de omgeving. Spr. ge looft, dat de meerderheid van de raad het riskant vindt, om daar een gebouwtje te plaatsen. Daar komt nog bij, dat spr. een langgerekt gebouwtje langs het muurtje van het vijvertje esthetisch meer verantwoord zou vin den dan een vierkant gebouwtje, dat met één zijde aan de vijver staat. Hij vindt dit beslist niet juist, voor zover hij het als leek kan beoordelen. Dat is echter een detailkwestie. Het geheel is van dien aard, dat spr. er verreweg de voorkeur aan zou geven, wanneer het ge bouwtje ter zijde wordt geplaatst. Dit is mogelijk aan de Westzijde, aan de kant van de Hobbemastraat, en ook wel op de hoek van de Pieter Lastmanstraat en de Julianalaan. Men kan het met het oog op het drukke toekomstige verkeer op de Julianalaan wel even naar binnen plaatsen, met een groenstrook naar buiten. Spr. moge er voorts aan herinneren het blijkt ook uit de stukken dat tussen de beplanting van het park en de Julianalaan een driehoek met een zeer scherpe, naar het oosten uitlopende, punt nog onbebouwd blijft. Hij gelooft, dat het zeker mogelijk is, daar nog iets mee te bereiken, als het althans niet mogelijk is het filiaal van de leeszaal aan de kant van de Hobbemastraat te plaatsen. De rust is in bepaald opzicht hier nog iets beter ver zekerd, want het centrale punt van het parkje heeft grote aantrekkingskracht op het publiek. De moeders komen hier met kinderen, die gaan spelen, en met kinderwagens. Spr. gelooft niet, dat het zal voldoen als plaats voor een leeszaal. Het is ook niet rustiger dan in een verscholen hoek van het park, waar het wel aardig zou staan ook. Dan heeft spr. nog een klein praktisch bezwaar. Men moet, komende van de Pieter Lastmanstraat, een groot eind groter dan van de Hobbemastraat lopen of fietsen. De heer Santema vindt het een voordeel, dat het filiaaltje op de thans voorgestelde plaats zou worden gevestigd; het is echter maar, hoe je het bekijkt. Spr. gelooft zeker, dat vooral jongelui gemakkelijk maar even doorfietsen naar de leeszaal en hij gelooft niet, dat dit goed is. Wanneer dit gebouwtje dichter bij de openbare weg zou staan en toch in het groen, dan meent hij, dat het ideaal, dat allen hier toch graag nastreven, een klein beetje wordt benaderd. Spr. is er zeer huive rig voor midden in het park, bij het waterpartijtje, een gebouwtje te plaatsen, waarvan de raad zich vorm e afmetingen nog maar heel zwakjes kan voorstellen. Hij maakt nog eens een vergelijking met het Rengers park. Men stelle zich eens voor, hoe een gebouwtje midden in dat park zou staan! Spr. durft aan een raadsbesluit overeenkomstig het voorstel van B. en W. niet mee te werken. Hij vindt, dat een andere oplossing zeer goed mogelijk is. Daarom pleit hij er voor, dat een betere oplossing nog eens ernstig onder ogen wordt gezien. De heer Kaïnstra verbaast het, dat beide eerste spre kers behoorlijk tevreden waren over het voorstel van B. en W. Spr. kan zich beter aansluiten bij de heer W. M. de Jong. Volgens deze zal dit voorstel eigenlijk afbreuk doen aan het park, dat nog nooit zijn vol tooiing, waar toch verschillende malen in de raad om is gevraagd, heeft gekregen. Spr. kan zich indenken, dat het leeszaal-bestuur niet met punt a, dat het in zijn brief noemt (hoek Juliana laan, dicht bij het toekomstige viaduct) akkoord kan gaan. Dit ligt te excentrisch. Maar het bestuur is ook niet bijzonder enthousiast over punt bplaatsing van het gebouwtje in het park; men had het liever aan de rand. De heer W. M. de Jong heeft zeer terecht naar voren gebracht, dat dit eigenlijk de plaats is, waar de jeugd kan spelen en waar de ouders in de buurt kunnen zijn om toe te zien op het spel van de kinderen. Wan neer daar, als er straks een gebouwtje komt, rust voor de leeszaal zou worden verlangd, zouden de kinderen ook nog van dat plekje moeten verdwijnen en waar moeten ze dan heen? De raad van Leeuwarderadeel, die destijds een plan heeft gemaakt voor dit park, heeft zich iets heel anders voorgesteld dan dat, wat tot nu toe ter plaatse bestaat en zeker zal deze nooit de gedachte hebben gehad, dat er nog eens een keer een leeszaal-gebouwtje zou komen. De heer Santema meent zelfs, dat het niet bij dit gebouwtje zal blijven, maar dat het nog wel eens tot een uitbouw komt. Spr. zou dit ten zeerste betreuren en, evenals de heer W. M. de Jong, zou hij daar beslist niet mee akkoord kunnen gaan. Spr. meent, dat de mogelijkheden met dit ene plan niet zijn uitgeput. De heer De Jong heeft er zeer terecht op gewezen, dat er aan de rand van het park een plaats, die ook het leeszaal-bestuur liever had nog wel een mogelijkheid is. Spr. heeft de zaak ter plaatse bekeken en hij vindt de hoek van de Vincent van Goghstraat en de Hobbemastraat een zeer behoor lijke plaats voor dit leeszaal-gebouwtje, terwijl het met behulp van enige beplanting, aan het gezicht, vanuit het park, kan worden onttrokken. Spr. meent, dat deze plaats nog iets rustiger is dan de thans voorgestelde, of men zou de kinderen moeten verbieden op laatst genoemde plaats te spelen. In de zomer is daar n.l. de gehele dag vertier. Bovendien gelooft spr., dat het niet een ideale plaats is gedurende de wintermaanden, d.w.z. voor degenen, die zich daarheen begeven. Een park wordt in de regel ook niet verlicht. Al met al meent spr., tenzij de wethouder straks nog andere argumenten naar voren kan brengen, zich, evenals de heer W. M. de Jong, niet met het voorstel van B. en W. te kunnen verenigen. De heer Van der Schaaf (weth.) constateert, dat van de verschillende sprekers, die het woord over dit onder werp hebben gevoerd, er een tweetal voor het voorstel heeft gepleit, terwijl een ander tweetal er tegen was. De heer Bootsma memoreerde de moeilijkheid om een geschikt terrein voor het leeszaalfiliaal te vinden. Deze mededeling wil spr. graag bevestigen. Hij is verschil lende malen met de directeur van openbare werken en de stedebouwkundige door dit stadsdeel getrokken om een geschikte plaats te zoeken. In de raadsbrief is hier over het een en ander aangehaald. Al met al is het niet gelukt een andere plaats te vinden dan die in het Julianapark. Een andere plaats in het park dan de nu aangewezene is ook niet geschikt. De heer Bootsma had gaarne gezien, dat er een schetsplan van het te stichten gebouw bij de stukken had gelegen. Dit was erg moeilijk, omdat de opdracht gever voor het bouwwerk niet de gemeente is, maar de vereniging Openbare leeszaal en Bibliotheek. Met deze vereniging heeft de gemeente wel een goed samenspel, maar uiteindelijk is de vereniging de opdrachtgeefster. Het plannetje is nog niet definitief. De heer Santema heeft het voorstel ook gesteund en deze heeft zelfs gesproken over toekomstige uitbreiding van het gebouwtje. Daar is het beslist nog niet aan toe en spr. wil daarop niet ingaan. De heer W. M. de Jong trekt een vergelijking met het Rengerspark. Hoe zou de raad het vinden, vraagt hij, als ergens in het Rengerspark een dergelijk ge bouwtje werd gesticht? Deze twee parken kunnen niet zonder meer met elkaar worden vergeleken. Het Ren gerspark is anders ingericht, heeft een andere begroei ing. Het Julianapark is ingericht met de bedoeling er een theehuis in te plaatsen. (De heer De Jong en spr. hebben het hier wel vaker over gehad). Dat is ook een bouwwerk. Nu is het wel zo, dat in een theehuis stof felijke voeding wordt verstrekt en men in het nu te stichten gebouwtje, als het plan doorgaat, geestelijke dranken en voeding kan krijgen, maar er is altijd een gebouw. In het Julianapark is het stichten van een gebouwtje niet vreemd aan de opzet, maar in het Rengerspark is nooit sprake geweest van een ge bouwtje. Daarom meent spr., dat die vergelijking be paald niet opgaat. Hij kan zich heel goed voorstellen, dat de architect het plaatsen van een leeszaalgebouw aan de rand van het water een geslaagde oplossing vond. De afstand tot de Julianalaan is groot genoeg om een rustig zitje te waarborgen. Spr. gelooft, dat het heel goed voor elkaar kan komen. Er is geen schetsplan en wanneer dat er wèl was, dan zou er misschien oneindig over gepraat kunnen worden, want over verschil van smaak raakt men niet uitgepraat. Spr. heeft de overtuiging, dat er een zeer aanvaardbare oplossing aan de waterpartij is te vinden. De heer De Jong zegt, dat hij het plan esthetisch fout vindt. Hij wijst er voorts op, dat de toegang naar dit gebouwtje bezwaar zal opleveren, maar daar is spr. helemaal niet van overtuigd. Waar moet de fietsen berging zijn, vraagt hij ook. Daar wordt wel een op lossing voor gevonden; die zal wel aan de straatkant moeten komen. Zou echter het gebouwtje aan de straat kant geplaatst worden, dan zou de fietsenberging daar ook moeten zijn. Dit is dus niet direct een punt, dat verschil oplevert. Nu is het voor een deel een grapje van de geschiedenis in deze raad, dat de heer De Jong, die herhaaldelijk heeft aangedrongen op de afwerking van het Julianapark en wie spr. eens heeft mogen toe voegen, dat de oplossing steeds meer naderbij komt, niet aan deze oplossing, die voor de hand ligt, mede werkt. Het kan zo lopen... (Stem: Een dramatische wending!) Spr. heeft alleen maar willen wijzen op het grappige van de situatie. Spr. wil de heer Bootsma wel zeggen, dat het vanzelf spreekt, dat de omgeving van het gebouwtje geheel moet worden afgewerkt, zoals dat voor Huizum betaamt. De heer De Jong vroeg, of het gebouwtje niet een plaats kon vinden aan de kant van de Hobbemastraat, op de hoek van de P. Lastmanstraat, ofwel op de schuine tip grond, die nog langs de Julianalaan ligt. Nu kan men het gebouwtje wel overal willen neerzet ten, maar dat verdient beslist geen aanbeveling. Overi gens bestaat de gedachte, dat op de hoek van de Julianalaan en de Hobbemastraat een hervormde kerk zal verrijzen, d.w.z. op het breedste stuk van die smalle tip. En dan zou daarnaast, aan de kant van de Hobbe mastraat, dit gebouwtje niet meer kunnen staan. De heer Pols en spr. hebben, als deskundigen aangekleed, daar de zaak met stappen uitgemeten en zijn toen tot die conclusie gekomen. Bovendien en dat weegt voor het college en ook voor spr. persoonlijk bepaald zwaar ontraden de deskundigen van de gemeente, de heren Bos en Achterhof, ten sterkste om dit gebouwtje aan een van de randen van het park te zetten. Wanneer aan de parallelweg van de Julianalaan in het groene vlak tegenover een van de straatmondingen van de over kant dat gebouwtje zou staan, dan is die prachtige groene wand onderbroken. Naar de stellige mening van de deskundigen en van B. en W. zou daardoor het esthetische aspect achteruit gaan. Datzelfde geldt voor de hoek van de Julianalaan en P. Lastmanstraat. Van uit de daarheen leidende straten, waar zich overal het park aan het oog voordoet, zou zo'n gebouwtje op de hoek de aanblik niet verfraaien. Als spr. dit ontraadt, dan gevoelt hij zich, zoals hij ook reeds opmerkte, zeer

Historisch Centrum Leeuwarden

Raadsverslagen van de gemeente Leeuwarden, 1865-2007 (Notulen) | 1959 | | pagina 3