6 sterk gesteund door de stedebouwkundige van de ge meente en door de directeur der openbare werken. Hier mee gelooft hij wel de bezwaren van de heer De Jong te hebben weerlegd en hij meent ook de vragen van de heer Kamstra terzelfdertijd grotendeels te hebben be antwoord. Er zijn nog slechts enkele detailpunten over. Deze vraagt, waar straks, als de kinderen niet meer bij het waterpartijtje kunnen spelen, dat zo'n leuk plaatsje voor hen is, de jeugd naar toe moet. Spr. gelooft niet, dat dit aardige plekje door het leeszaalfiliaaltje behoeft te verdwijnen. Hij kan zich zelfs indenken, dat. wan neer het gebouwtje daar staat en het omliggende ter rein een beetje netjes afgewerkt wordt, er een bankje bij komt te staan, waarop men dan rustig naast dit ge bouwtje kan zitten, zelfs enigszins in de luwte daarvan. De heer Kamstra is er niet van overtuigd, dat de kin deren zich rustig zullen gedragen. Daar kan spr. per soonlijk ook niet borg voor staan, maar hij is er van overtuigd het zijn ook nog kinderen uit Huizum, zoals spr. al hoort opmerken dat dit wel mee zal vallen. Hij zou er niet voor voelen, dat de kinderen daal de toegang verboden werd. Hij kan zich ook indenken, dat vader naar de leeszaal gaat en dat moeder met een paar kinderen op het bankje zit. (Stemmen: Het zal wel andersom zijn!) (Gelach.) Ook tot de heer Kamstra zegt spr., dat dit parkje vanaf zijn aanleg de neiging heeft gehad te vragen om een bebouwing. Waarom zou men dan niet, als een theehuis absoluut onrendabel is in deze tijd, dit theehuis vervangen door een leeszaal gebouwtje? Spr. gelooft niet, dat dit ingaat tegen de opzet van de parkaanleg. Ook het bezwaar van de heer Kamstra, dat het in de wintermaanden donker zou zijn in het park, is toch maar een klein probleem, dat gemakkelijk op te lossen is. Wanneer dat gebouwtje ingericht is, moeten er licht punten aan de toegangswegen en op de trottoirs er om heen geplaatst worden. Spr. is dan ook van mening, dat de aangevoerde be zwaren bepaald te licht zijn te noemen; zij worden in elk geval door het college niet geaccepteerd. Zij bevelen aanneming van dit voorstel gaarne bij de raad aan, ook tegen de ingebrachte bezwaren in. De heer Bootsma heeft wel behoefte een paar woor den te wijden aan het antwoord van de wethouder. De wethouder heeft aanvankelijk t.a.v. de rest van dit terreintje gezegd, dat hij er van overtuigd is, dat die ook wel aangepakt zal worden. Spr. had graag een klein beetje meer positief geluid gehoord. Aan het slot van het betoog van de wethouder, toen deze de heer Kamstra beantwoordde, was er wel een iets positiever woord. Toen zeide de wethouder n.l., dat hij wel de mo gelijkheid zag, dat daar eventueel nog een paar bankjes met een speelgelegenheid voor de kinderen bij het ge bouwtje zou komen. Die richting gingen ook de ge dachten van spr. c.s. uit. Wanneer dat dus een klein beetje in vastere vorm gezegd zou kunnen worden, dan willen zij daar graag akte van nemen. Het is niet hun bedoeling, dat dit een soort speeltuin moet worden, maar als daar juist voor de kleinere kinderen een eenvoudige zandbak met daarnaast een bankje voor de moeders komt, dan gelooft spr., dat men al een heel eind op weg is. Misschien kan er nog een klein gras veldje bij, want er zijn ook kinderen, die liever op het gras spelen dan in het zand. Wanneer de raad een voorstel van die strekking zou kunnen verwachten, dan zou dat veel prettiger zijn dan wanneer zonder meer afgewacht moet worden, wat er komt. Spr. meent, dat dit laatste wel een klein beetje veel gevergd is. Hij c.s. zouden graag willen weten, wat hier uiteindelijk zal verschijnen. De heer Sant erna heeft gesproken over een eventuele uitbreiding van dit leeszaalfiliaaltje in de toekomst. Wanneer men van de gedachte uitgaat, dat dit gebouw tje binnen afzienbare tijd te klein zal blijken te zijn en dus uitgebreid zal moeten worden, dan meent spr. zich tegen dit voorstel te moeten verklaren. Hij wil echter aannemen, dat het de bedoeling is, dat dit filiaal geen grotere afmetingen zal krijgen dan op het ogenblik „ge pland" zijn. Spr. zou niet graag willen, dat er later een uitbreiding gezocht moet worden, wat zeker ten koste van de omgeving zou moeten gaan. Hij kan zich in denken, dat het wel mogelijk is hier een open geval te maken, dat toch een zekere rust geeft. Juist daarom had hij het prettig gevonden een schetsplannetje bij de stukken te vinden. Hij meent, dat er ook al een zeer summier krabbeltje van openbare werken is geweest, dat gediend zou hebben om B. en W., die misschien ook niet zo enthousiast waren voor deze plaats, de moge lijkheden daarvan aan te tonen. Dit waren dan de punten, die spr. hier nog even wilde noemen. De hear Santema soe n.o.f. hwat de wethalder en hwat de hear Bootsma sein hawwe noch in pear op- merkings meitsje wolle. Oangeande de gedachte, dy t spr. utere hat, dat de mooglikheit fan ütwreiding fan dit gebou net ütsletten achte wurde moat, wol hy dei- op wize, dat it hjir giet om in hoeke fan it him üt- wreidzjende Huzum, dêr't aensen minstens in 20.000 minsken wenje sille, en it sil ek foar de lêsseale in ding fan bilang wêze, dat dy in sintrum hat, hwerüt dizze minsken foarsjoen kurde kinne. Dêrom hat spr. oan de ütwreiding tocht. Nou is hy it wol iens mei de wethalder, dat it plak by it geboutsje, hwer't neffens de hear Bootsma in sanbak komme moat, noch net iens sa great is; dêr kinne noch net iens sa folie bern har formeitsje. Spr. mient lykwols, dat men dizze dingen wol tige as bysaken bisjen moat, net as in anneks dat der bi- slist by moat. Der binne ommers yn dat park noch wol mear plakken, dêr't men eventueel in boartersplak meitsje kin. Der is yn it Rengerspark ek al in gêrs- fjild, dêr't men de bern boartsje lit. Itselde soe men hjir yn dit Huzumer parkje ek probearje kinne. Ut dit eachpunt soe spr. net to sterk stean wolle op it bi- tingst, dat der by dit filiael fan de lêsseale bislist in boartersplak foar de bern oerbliuwe moat. Dat jowt aensen in biskate ünrêst. Spr. wol de bern lykwols net üt it park forjeije, mar harren allinnich oerbringe nei in oar plak, dêr't hja boartsje kinne. De heer W. M, de Jong had in eerste instantie enkele dingen vergeten, maar andere raadsleden hebben deze punten al naar voren gebracht. Het is spr. bekend, dat het bestuur van de openbare leeszaal de voorkeur geeft aan hetgeen hij in eerste instantie heeft bepleit. Spr. wil dit nog even herhalen, omdat hij meent zijn betoog er sterker mee te kunnen maken. Nu kan het college hem misschien tegenwerpen, dat de leeszaal niet precies kan krijgen, wat zij het liefste heeft, maar hij is van mening, dat dit alles toch een beetje afbreuk doet aan de waarde van het voor stel van B. en W. Spr. moge even aan het adres van de wethouder opmerken, dat hij inderdaad in het verleden heeft aan gedrongen op afwerking van het park, maar hij sprak toen over het -park en niet over het stichten van een gebouw. Hij gelooft wel, dat de kronieken zullen uit wijzen, dat hij nimmer heeft gepleit voor een theehuis of iets dergelijks, maar juist voor een knus plekje met een paar banken. Mocht het echter zo zijn, dat er voor een theehuis gepleit is en mocht het zelfs zo zijn, dat men aanvankelijk bij de opzet van het park op de open plek een theehuis met een terrasje had geprojecteerd, dan is het nog zo, dat er dan een klein los gevalletje was gekomen, hetgeen heel wat anders is, dan zo'n min of meer zakelijk gebouw als een leeszaal. Een theehuis met een terrasje zou dan naar spr.'s mening nog verre de voorkeur verdienen; dat zou misschien nog niet zo heel gek zijn, maar hij voelt er het meeste voor, dat er noch een theehuis, noch een ander gebouw komt. Hij gelooft dus niet, dat hij in strijd komt met wat hij altijd heeft gewild. Spr. zou juist het park als park willen afmaken en daarmee komt men in conflict als men een gebouw opricht. De heer Kamstra heeft nog enige belangrijke op merkingen gemaakt. Hij wees o.a. op de wintertijd en de dan te verwachten moeilijkheden bij sneeuwval. Ook gaat een speelterrein voor de kinderen verloren. Dit zijn alle problemen, die niet verwaarloosd kunnen wor den, evenmin als de afstand van het gebouw tot de buitenkant van het park. Van de Hobbemastraat af gaat het nog wel, maar van de Pieter Lastmanstraat af is het een heel eind. Nu kan men wel een eindje omlopen; op zichzelf is dat niet zo erg, maar spr. blijft 7 het een bezwaar vinden. Dan zijn er nog de kwesties van de verlichting 's avonds en de fietsenberging. Dat is zo een heel aantal bezwaren en spr. vreest dat zegt hij speciaal aan het adres van de wethouder, wiens betoog spr. overigens wel kan waarderen dat B. en W. er te veel op uit zijn geweest om twee vliegen in één klap te vangen. Als het parkje ter plaatse niet die onafgewerkte plek had gehad, dan was men niet op het idee gekomen er een gebouw neer te zetten. Maar nu heeft men gedacht mooi twee zaken te kunnen combineren: de afwerking van het park en het stichten van een leeszaal gebouwtje. Spr. bedoelt het niet onheus. Maar hij vindt het een enigszins onzuiver element in dit geval. Hoe het zij, hij blijft bij zijn mening, dat de gemeente het bestuur van de openbare leeszaal beter ter wille kan zijn, wan neer het gebouwtje alsnog op een meer afgelegen, een meer verscholen en dus iets rustiger, plekje van het park spr. moge herhalen: op de hoek van de P. Lastmanstraat en de Julianalaan kan worden ge plaatst. Er is hier al iets gezegd over een zandbak, over een grasmat voor spelende kinderen en over een mogelijkheid van uitbreiding van het leeszaalfiliaal, maar dat zal men dan toch maar allemaal in het hart van het park zien gebeuren! Het bestuur van de open bare leeszaal vraagt: Geef ons een rustig plekje. Maar wat hier genoemd is, hoort niet bij elkaar! Leeuwarden zou dan misschien de primeur hebben van zo'n com binatie, maar spr. is op deze primeur bepaald tegen. En het kan anders en, naar zijn stellige overtuiging, beter! Men prate niet van een ongeschonden groen- partij, want als aan de zuidkant van het park een kerk komt, die nogal een forse inbreuk op de groen- partij zal maken, dan is een klein gebouwtje op de andere hoek eigenlijk bijna geen inbreuk te noemen. Spr. gelooft, dat de wethouder daar wel overheen zal kunnen stappen. Het is spr. al met al bittere ernst. Hij zou ontzettend graag het gebouwtje niet midden in het park willen hebben. Tot zijn spijt kan hij dan ook niet voor het voorstel van B. en W. stemmen. De heer Kamstra constateert, dat de heer Santema heeft bevestigd wat spr. in eerste instantie heeft ge zegd, n.l., dat de kinderen uiteindelijk de dupe worden. Hij gelooft, dat heel moeilijk te verwezenlijken is wat de heer Santema wil: een speelplaats voor de kinderen elders in het park, ter vervanging van dit terreintje. De wethouder zegt welwaarom niet een leeszaal gebouwtje in plaats van een theehuis? Spr. meent ech ter, dat er wel degelijk verschil in bouwwijze zal zijn. Een leeszaalfiliaal zal wel geen terrasje hebben, waar men rustig kan zitten met de voeten „in het water (De heer Van der Schaaf (weth.)De muur is hoog, dan mag men wel lange benen hebben!). De wethouder wil de jeugd nog wel in de omgeving van het gebouw houden, maar spr. gelooft niet, dat dit de rust van de leeszaal ten goede komt en pleit nog eens voor de hoek HobbemastraatVincent van Goghstraat. De wethouder heeft er bezwaar tegen gemaakt, omdat er op de hoek Julianalaan- -Hobbemastraat een kerk gebouwd zal worden, maar spr. meent, dat er een behoorlijke af stand tussen deze terreinen ligt. De heer Heidinga heeft nog een kleine opmerking. Hij is apart naar het park toegegaan om daar de situ atie eens op te nemen. Spr. had wel verwacht, dat de Huizumer raadsleden een behoorlijke discussie te weeg zouden brengen. Spr. meent, dat de plaatsing van het gebouwtje mid den in het park wat voor en wat tegen heeft. Het ligt hem niet gemakkelijk, om te zeggen: Dat is nu juist de plaats voor zo'n gebouwtje. Het spijt hem, dat de woorden van de wethouder hem ook niet hebben kunnen bekeren. De heer Santema heeft het, toen hij zeide, dat met een mogelijke uitbreiding rekening zou moe ten worden gehouden, nog moeilijker voor spr. gemaakt. Spr. gelooft hiermede wel zo ongeveer zijn stem te hebben gemotiveerd. De heer Van der Schaaf (weth.) wil beginnen met even in te gaan op de mededeling van de heer W. M. de Jong, dat het bestuur van de openbare leeszaal eigenlijk in zijn straatje zou lopen en ook plaatsing van dit gebouwtje aan de buitenkant van het park, op een van de hoeken, zou prefereren. Zo is het echter bepaald niet. Het bestuur heeft zelfs niet om het onder havige plekje durven vragen, maar toen de adviezen van de stedebouwkundige dienst van openbare werken luidden, dat het zeer wel verantwoord was het gebouw tje midden in het park te zetten, heeft het bestuur zich daar volledig achter geschaard. En spr. kan wel zeg gen, dat hij over inlichtingen beschikt, waaruit blijkt, dat het bestuur de onderhavige plaats prefereert boven de plaats, die de heer De Jong heeft aangegeven. (De heer W. M. de Jong kon alleen maar naar de ter inzage gelegen hebbende stukken oordelen.) Daar is deze mededeling een aanvulling van, zodat de raad daar ook rekening mee kan houden. Spr. komt nu tot de vraag van de heer Bootsma. Wat daar nu naast dat leeszaal-gebouwtje precies komt als dit voorstel van B. en W. wordt aangenomen? Daar heeft het college zich nog niet in concreto over be raden. Maar spr. heeft reeds gezegd, dat het voor hem vanzelf spreekt, dat het omliggende terrein op zeer behoorlijke manier zal worden afgewerkt en spr. ge looft, de rij aan de tafel van B. en W. langs kijkende, daarmee niet te veel te hebben gezegd. Dit terrein vraagt natuurlijk om een goede afwerking en spr. meent te kunnen zeggen, dat de raad daar bepaald op kan rekenen. Er zal daaromtrent nog wel een plannetje aan de raad worden voorgelegd. B. en W. beschikken thans nog niet over gegevens omtrent de kosten van bedoelde afwerking. De heer Bootsma heeft voorts nog iets naar voren gebracht, waarbij spr. aan zijn kant staat. Ook spr. moet zeggen, dat hij, wanneer uit dit filiaaltje een vol ledige leeszaal zou groeien, zoals de heer Santema ver onderstelde, een groter gebouw niet acceptabel zou achten op deze plaats. Een volledige leeszaal is in Huizum misschien ook niet exploitabel. Als men zich realiseert, wat de bibliotheek aan de Tweebaksmarkt jaarlijks al kost, dan zal een nieuwe instelling in Hui zum op het peil van een volledige tweede leeszaal waarschijnlijk wel te duur worden voor de gemeente. Daarom is spr. van mening, dat men deze neven-in stelling blijvend als een filiaal moet zien, zoals ze ook door het bestuur van de openbare leeszaal naar voren is geschoven. Spr. is het dus met de heer Bootsma eens, dat, als hier in de naaste toekomst een belangrijke uitbreiding zou moeten worden verwacht, het probleem heel anders zou komen te liggen. Spr. verwacht dat echter niet en voelt er ook niet voor, om op deze plaats uitbreiding aan dit filiaal te geven. De heren W. M. de Jong en Kamstra hebben hun bezwaren nog weer eens naar voren gebracht, o.a. be treffende de toegangen naar een gebouwtje midden in het park. Zij hebben daar het sneeuwruimen en de verlichting bij te pas gebracht. Dit zijn echter allemaal bezwax'en, die volgens spr. op het derde plan komen. Wanneer er veel sneeuw ligt, moet er uiteraard sneeuw geruimd worden. Wat daar nodig is, zal daar inderdaad moeten gebeuren. Dit zijn praktische dingen, waar de zaak niet aan opgehangen behoeft te worden. Wanneer het plan tot uitvoering zal zijn gekomen, zullen ze van zelf hun regeling vinden. De heer W. M. de Jong meent, dat het college zich niet te veel moet laten leiden door de zucht om twee vliegen in één klap te willen vangen. Hij gelooft niet, dat het een gelukkige combinatie is, dat aan dit te stichten gebouwtje automatisch andere zaken worden vastgekoppeld, waaromtrent de raad een toezegging van B. en W. verlangt. De wens is bepaald met geweest om nu twee vliegen in één klap te vangen, maar om hier een aanvaardbare oplossing voor het ge heel te vinden, waarbij afwerking van het hart van het park en passant wordt meegenomen. De heer Kamstra is bij voortduring bevreesd, dat de kinderen de dupe worden. Spr. gelooft, dat hij dit on juist ziet. Wanneer daar een kleine accommodatie wordt geschapen in de trant van de suggestie van de heer Bootsma, dan blijft naast het gebouwtje inderdaad wel een plaats voor de kinderen over. De rust voor de lees zaal behoeft daardoor ook niet gestoord te worden. Maar B. en W. zullen dat alles nog in bijzonderheden moeten bekijken. Dan is er best een bevredigende op lossing voor te vinden.

Historisch Centrum Leeuwarden

Raadsverslagen van de gemeente Leeuwarden, 1865-2007 (Notulen) | 1959 | | pagina 4