8
De woorden van de heer Heidinga geven spr. geen
aanleiding tot nadere opmerkingen. Spr. zal het de heer
Heidinga, die het nog een beetje moeilijk heeft, niet nog
moeilijker maken door nog andere dingen te zeggen!
(Gelach).
Spr. blijft er dus bij, dat zowel het bestuur van de
openbare leeszaal als het college gaarne zou willen,
dat de raad dit voorstel accepteerde. Dan is er eindelijk
een bevredigende oplossing gekomen, zowel voor de
leeszaal als voor het park.
Verschillende raadsleden verlangen stemming.
Het voorstel van B. en W. wordt aangenomen met
23 tegen 12 stemmen, die van de heren Mr. van der
Veen, Kamstra, Balt, Van der Heijde, Pols, W. M. de
Jong en Ir. van Balen Walter, mevr. Heijmeijer-Croon
en de heren Engels, Dr. Hoekstra, Taylor Parkins en
Heidinga.
Punt 16 (bijlage no. 23).
De heer Heidinga lijkt dit een heel goed voorstel; het
werkt kostenverlagend op den duur. Aan het eind van
de bijlage staat: „Wij geven U dan ook in overweging
de gevraagde medewerking in voorkomende gevallen
te verlenen". Spr. wil in dit verband graag van de wet
houder vernemen, of die medewerking niet alleen zal
worden verleend aan de N.V. Bouwfonds Nederlandse
Gemeenten, maar ook aan particuliere bouwers, als
dezen directe overschrijving van erfpacht vragen op de
kopers, in de gevallen uiteraard als dezen meteen
bekend zijn. Dan zou de schakel van „eerst overschrij
ving op de bouwer" net zo goed kunnen vervallen. Dat
zou ook kostenverlagend werken.
De heer Van tier Schaaf (weth.) zegt, dat, wanneer
deze maatregel, die op zichzelf praktisch is en kosten
verlagend werkt, zoals de heer Heidinga reeds op
merkte, van gemeentewege wordt ingevoerd voor één
categorie, er wel een gewichtige reden moet zijn om
het voor andere categorieën niet te doen. Nu ligt de
zaak bij uitgifte van grond in erfpacht aan particuliere
bouwers wel iets gecompliceerder, omdat dan veelal de
koper nog niet bekend is. De heer Heidinga heeft
echter zijn vraag ook nader gepreciseerd in deze zin,
dat hij dezelfde regel bij particuliere bouwers zou willen
zien toegepast, als de koper wèl bekend is. Spr. gelooft,
dat daar geen bezwaar tegen is.
Wel is het een merkwaardig verschijnsel, dat men
hier ter stede de laatste tijd soms geruchten hoort, dat
er een soort van handel wordt gedreven in erfpachts-
grond, die door de raad is toegewezen aan de een of
andere bouwer. Spr. gelooft, dat, wanneer B. en W.
iets dergelijks bevroeden, het juist zou zijn om, willen
zij de particuliere bouwers op gelijke wijze behandelen
als het Bouwfonds, door een extra clausule aan het
zojuist door spr. gememoreerde gevaar te ontkomen.
Spr. meent, dat hiermede de vraag van de heer
Heidinga wel beantwoord is.
De Voorzitter veronderstelt, dat de wethouder het wel
zal goed vinden, dat hij zijn antwoord even wil aan
vullen, in deze zin, dat de positie van de bouwspaarder
in dit geheel zeer aanmerkelijk verschilt met de positie
van een enkele koper, die zich bekend maakt aan de
bouwer. De bouwspaarder heeft n.l. een contractuele
relatie met het Bouwfonds, een relatie die zich ma
nifesteerde in het storten van een bepaalde som gelds,
terwijl de enkele gegadigde naar een huis gewoonlijk
niet meer heeft gedaan dan zijn wens te kennen geven
om een woning te betrekken, zodat de uitvoering van
een dergelijke maatregel tegenover de groep lieden,
die door de heer Heidinga is genoemd, tenminste met
uiterste voorzichtigheid zal moeten gebeuren. Het zal
alleen dan kunnen geschieden, wanneer een zodanige
vaste relatie tussen koper en bouwer als tussen bouw
spaarder en Bouwfonds bestaat. Dat zal de heer
Heidinga waarschijnlijk ook wel inzien.
De heer Heidinga veronderstelt, dat hetgeen hij wil
zeggen niet aan de orde is, maar nu hij van de wet
houder heeft vernomen, dat soms uitgegeven erfpachts-
grond later wordt verhandeld, wil hij hier graag uit
drukkelijk verklaren, dat hij een dergelijke handelwijze
ten sterkste veroordeelt. Het is beneden elk peil en hij
gaat er volkomen mee akkoord, dat, als deze mensen
weer bij het grondbedrijf komen om grond in erfpacht
te mogen ontvangen, zij niet in aanmerking worden
gebracht.
Z.h.st. wordt besloten overeenkomstig het voorste)
van B. en W.
Punten 17, 18 en 19 (bijlagen nos. 21, 13 en 14).
Z.h.st. wordt besloten overeenkomstig de voorstellen
van B. en W.
Punt 20 (bijlage no. 26).
De heer Hoekstra stelt, mede namens zijn fractie, de
raad voor, de beslissing omtrent de post, genoemd onder
punt 3 van deze bijlage, tot nader order op te schorten
Hij c.s. achten deze zaak nog onvoldoende voorbereid
en zouden vóór alles willen weten, welke der hier ge
noemde organisaties definitief aan dit ontwerp wensen
mede te doen. Aan de te polsen sociaal-medische in
stellingen zou spr. dan nog het Instituut voor Geeste
lijke Gezondheidszorg willen toevoegen, terwijl tevens
nog om medewerking kan worden gevraagd aan de
Inspecteur voor de Pharmacie en aan de Inspecteur
voor de Veterinaire Gezondheidsdienst.
Het komt spr. voor, dat enige der in deze bijlage
genoemde consultatiebureaus zich nu reeds definitief
uit deze groep hebben teruggetrokken en niet bereid
zijn mede te werken. Tevens meent spr. te weten, dat
het bedoelde gebouw nooit goed aan alle eisen kan
voldoen, al is dit een zaak, die de subsidiërende instan
ties voornamelijk en uiteindelijk aangaat. Hij is van
mening, dat een stad met toekomst en met een bevol
kingscijfer van meer dan 80.000 zielen verplicht is er
aan mee te werken, dat alle genoemde diensten en
bureaus goed kunnen functioneren. Dit kan thans niet,
omdat allen kampen met ruimtegebrek en één instituut
met dakloosheid wordt bedreigd, hetgeen de arbeids-
ontplooiing in de weg staat.
Spr. waarschuwt er tegen om al de bedoelde diensten
en bureaus onder één naam en onder één dak te bren
gen. Onder „medisch centrum" toch verstaat men ge
heel iets anders; onder het al wat beter geformuleerde
begrip „sociaal-geneeskundig centrum" vallen slechts
enkele der genoemde organen. Een eventueel „cen
trum van de gezondheid bevorderende instellingen" lijkt
spr. nog de beste benaming. Een instituut van deze
naam zou een eersteling in Nederland zijn en het lijkt
spr. een riskante onderneming om daarvoor tekeningen
te laten ontwerpen; hij vreest, dat door het maken van
deze tekeningen ter voorbereiding van de totstandbren
ging van dit instituut veel tijd verloren zal gaan en
dat de plannen dermate bezwaarlijk zijn uit te voeren,
dat de urgente huisvestingsproblemen, die er zijn voor
het Provinciaal Instituut voor de Volksgezondheid, voor
de G.G.D. en voor het tuberculose-consultatiebureau
om de andere instituten niet steeds te noemen
voorlopig onopgelost zullen blijven.
De heer wethouder Van der Schaaf bleek bereid voor
het Provinciaal Instituut een plaats in te ruimen op
het terrein achter de Borniakliniek. Is dit echter de
juiste plaats voor alle in dit verband genoemde instel
lingen? Naar spr.'s mening wijzen de Sociaal-Psychi
atrische Dienst, het Instituut voor Geestelijke Gezond
heidszorg en het Consultatiebureau voor alcoholisten
wel in deze richting. Zij wijzen zelfs naar de Bornia
kliniek zelve, althans naar een eventuele uitbouw daar
van. Maar de G.G.D., de schoolartsendienst, de inspec
ties van de volksgezondheid en misschien ook verschil
lende consultatiebureaus zullen een meer centraal ge
legen plaats op prijs stellen. Het consultatiebureau voor
zuigelingen in de bijlage genoemd heeft zich al
definitief uitgesproken en wenst in de wijkgebouwen
van het Groene Kruis zijn werkzaamheden te verrichten.
Spr. meent te weten, dat ook de reuma-bestrijding het
liefst gebruik zal blijven maken van de polikliniek
ruimten in de hier aanwezige ziekenhuizen. Spr. moet
herhalen, dat het hem enigszins duister is, hoe deze
instellingen in dit verband kunnen worden genoemd.
9
Hij wil zich niet verdiepen in de omvang, de kosten
en de exploitatie-onkostencijfers van alle weldoende
instituten, die onder het grootse dak, dat Leeuwardens
aanschijn zeker zou verbeteren, zouden worden ver
enigd. Als aan alle hier te verenigen instanties de ver
eiste extra toelage is toegezegd en men dus weet, wie
kunnen meedoen, is de tijd gekomen voor nadere uit
werking van een meer of minder groot schetsplan.
Daar vele problemen echter zeer urgent zijn (spr.
noemt de bouw van een autonoom Provinciaal Labora
torium voor de Volksgezondheid op een terrein, dat
reeds bestemd en ingedeeld is voor een a.s. echt medisch
centrum, de stichting van een geneeskundig-werk-ver-
richtend revalidatie-oord en de bouw van een tubercu
lose-consultatiebureau, zoals er bijv. een te Zaandam
bestaat), zou het uiterst betreurenswaard zijn, als het
uitwerken van het hier genoemde plan, waarvan de
voorbereiding f 10.000,moet kosten (die voor de ge
meente Leeuwarden jaarlijks een post op de begroting
betekent van f225,de snelle oplossing van de ge
noemde problemen zou remmen. Men geve toch, na de
werkelijke plannen van het Provinciaal Laboratorium
te hebben vernomen, aan dit instituut het door hem zo
lang verbeide stukje grond. De vrees voor verplaat
sing naar elders wordt dan bij spr. en bij vele anderen
weggenomen. Men grijpe de thans voor de hand lig
gende kans om geestelijk gestoorde tijdgenoten te hel
pen toch nü aan in plaats van de uitslag van eindeloze
beraadslagingen en steeds uitgestelde beslissingen af te
wachten. Men bouwe, los van alle plannen, op een ge
schikt gelegen terrein in de binnenstad een zelfstan
dige gelegenheid voor de G.G.D. en voor de school
artsendienst, eventueel met medewerking van de in
specties van de volksgezondheid. Men helpe de revali-
datie-stichting en het tuberculose-consultatiebureau
aan een eigen onderdak. Op het terrein achter de
Borniakliniek is daarvoor spr. herhaalt het wèl
een geschikte plaats te vinden.
Spr. verzoekt B. en W. nogmaals de wijziging van
de gemeentebegroting voor het dienstjaar 1959, genoemd
onder punt 3, op te schorten en er aan mede te werken,
dat de hier bestaande gezondheidsproblemen zo spoedig
mogelijk worden aangepakt.
Spr. dankt B. en W. en raad voor hun aandacht,
maar meer nog zou hij het op prijs stellen van de
voorzitter en de desbetreffende wethouders te ver
nemen, met welke concrete plannen op dit gebied de
raad binnen afzienbare tijd kan worden geconfronteerd.
De heer De Vries noemt het erg gevaarlijk om na de
woorden van een arts als leek op het glibberige terrein
van dit onderdeel van bijlage no. 26 terug te komen.
Toch meent spr. er iets van te mogen zeggen. Als hij
de organisaties, die in dit medisch centrum worden op
genomen, bekijkt, dan gelooft hij, dat hij daarin een
ruwe scheiding mag maken, n.l. tussen de organisaties,
die zich bezighouden met plaatselijke belangen en an
dere, die een wijdere strekking hebben en hun patiënten
uit de provincie „aantrekken". Het gevolg hiervan
zal wel zijn, dat dit medisch centrum zeker niet in of
bij het Julianapark gesticht kan worden, maar een
plaats zal moeten vinden in de binnenstad, vanwaar
de verbinding met plaatsen buiten de stad en ook met
alle plaatsen in de stad het gemakkelijkst gaat.
Spr. c.s. hebben met genoegen in het voorstel ge
lezen, dat er zeer veel instemming is met de concen
tratie van deze diensten en ook hij c.s. gaan er in
principe in mee, maar hij moge toch de vraag stellen,
of, voordat het voorgestelde bedrag beschikbaar wordt
gesteld, niet alsnog definitief gevraagd kan worden, of
deze instemming inderdaad aanwezig is. Als dat het
geval zou zijn, hebben spr. c.s. geen enkele reden daar
aan te twijfelen en zullen zij met dit voorstel gaarne
meegaan.
De Voorzitter wijst er op, dat, zoals men uit de toe
lichting op de voorgestelde begrotingswijziging heeft
kunnen lezen, van de Stichting Friesland voor Maat
schappelijk Werk de gedachte is uitgegaan om een
aantal instellingen, die in deze stad werkzaam zijn op
het gebied van de gezondheidszorg gezamenlijk een
huisvesting te verlenen en vanuit de genoemde stich
ting is dan ook het gemeentebestuur van Leeuwarden
een tijd geleden benaderd met de vraag, of het, als
dergelijke plannen vaste vorm zouden aannemen, ook
belangstelling daarvoor had, met het oog op de vesti
ging van de geneeskundige dienst. Ter inlichting van
de raad spr. gelooft, dat hij deze mededeling wel in
het openbaar mag doen - zou hij willen zeggen, dat
de heer Wartena, geneeskundig inspecteur in Friesland,
zeer bepaald achter deze plannen staat en, voor zoveel
spr. heeft begrepen, doet hij dat niet alleen in zijn
hoedanigheid van geneeskundig inspecteur de ge
neeskundige inspectie is trouwens al in de raadsbrief
genoemd maar ook als secretaris van het z.g. Provin
ciaal Laboratorium voor de Volksgezondheid. Nu is de
gang van zaken deze geweest, dat de commissie van
genoemde stichting, die een aantal instellingen op het
oog had, die, naar het vermoeden der commissie, be
hoefte hadden aan betere huisvesting, deze instellin
gen benaderd heeft met de vraag, of ze inderdaad
belangstelling hadden, en dat daar een aantal met een
duidelijke behoefte van is overgebleven, dat graag zou
willen meedoen. Er zijn intussen ook enkele bij weg
gevallen. Nu is natuurlijk de moeilijkheid bij dit geval,
zoals gewoonlijk bij deze dingen, dat het voor een be
langrijk deel van financiële aard is. De meeste van
deze instellingen moeten hun inkomsten ontvangen in
de vorm van subsidies en donaties en dan is het toch
duidelijk, dat de inkomsten gewoonlijk niet of althans
niet veel meer belopen dan de uitgaven, die zij moeten
doen. En als ze dan op een bepaald ogenblik voor zeer
veel hogere uitgaven voor huisvesting gesteld worden,
dan is het ook duidelijk, dat sommige of meer van
deze instellingen dan voor een heel moeilijke beslissing
staan. Nu is dus ook hier de moeilijkheid, dat pas wan-
neeer een bepaald plan wat nader is uitgewerkt en dus
ook een nadere calculatie van de kosten kan worden
gemaakt, door een aantal van deze instellingen defini
tief kan worden besloten om mee te doen of niet mee
te doen.
Als dus bij monde van de heer Hoekstra de eis wordt
gesteld, dat men eerst volledige zekerheid moet hebben
t.a.v. het meedoen door deze instellingen aan dit plan,
dan is dat een eis, waaraan uitermate moeilijk is te
voldoen, omdat men een bepaald schetsplan moet heb
ben en een bepaalde kostencalculatie moet maken, al
vorens de instellingen een definitieve beslissing kunnen
nemen. Intussen achten B. en W. en mèt hen onder
meer de geneeskundig inspecteur deze zaak juist voor
de gemeente Leeuwarden wel van zoveel belang, dat
nadere uitwerking van het schetsplan en het mogelijk
maken van een eventueel definitief plan verantwoord
is. Afgezien van de vraag, welke instellingen mee kun
nen doen, is het belang van deze zaak de gevraagde
gemeentelijke bijdrage in de kosten bepaald waard.
Voor een stad als Leeuwarden, die centrum wil zijn
ook in dit opzicht, is het stellig van uitermate groot
belang, dat de genoemde diensten, die ieder voor zich
een bepaald belang vertegenwoordigen, op de juiste
wijze zijn gehuisvest. Spr. zou de raad stellig willen
afraden om in te gaan op de gedachte, zoals die door
de heer Hoekstra is geponeerd, om eerst precies te
weten, of alle organisaties definitief meedoen, want als
de zaak zo wordt gesteld, dan is het onmogelijk met dit
plan door te gaan. Die vraag kan in dit stadium, zoals
spr. al geschetst heeft, niet definitief beantwoord wor
den.
Dit is hetgeen spr. in hoofdzaak op de opmerkingen
van de heer Hoekstra wilde antwoorden.
Als deze zegt: „Hang de huisvesting van een aantal
diensten, die hij met name noemde G.G.D. en Pro
vinciaal Laboratorium niet op aan dit plan", dan
moet spr. verklaren, dat er voor de G.G.D. momenteel
geen andere plannen zijn en het college is ook niet in
staat voor deze dienst aan de raad een ander plan voor
te leggen. Ook voor de gemeente Leeuwarden spelen
hier bezwaren van financiële aard mee. Bovendien ziet
het college het terrein ten Oosten van de Schrans
daaraan is n.l. gedacht helemaal niet als ver
werpelijk voor de G.G.D. Dit terrein zien B. en W.
ook als plaats voor het toekomstige verpleeghuis en
van een nieuw stadsziekenhuis, zodat dan alle afdelin
gen van de G.G.D. bij elkaar gelegen zijn. Wij hebben
dan, aldus spr., niet meer te maken met de heel grote