14
BH ISSZ* ïT '1
doen, omdat de mensen die komen klagen, geen gege
vens kunnen verstrekken; ze weten geen namen, ze
geven een vaag signalement. De enige gevallen waar
we achter komen, zijn de gevallen die de politie zelf con
stateert. De politie houdt de mensen die ze langs de
deuren zien gaan, wel in de gaten. Het regent dus geen
klachten bij de politie. Wij weten net als U uit
informaties wel, dat dergelijke overtredingen plaats vin
den. Ik wil best de mogelijkheid nagaan via „Uw Leeu
warden" of op andere wijze deze zaak nog eens onder
de aandacht van het publiek te brengen. Wij moeten
de mensen erop wijzen, dat, als zij dergelijke praktijken
signaleren, zij dit aan de politie moeten doorgeven met
zoveel mogelijk gegevens. Deze suggestie van de heer
Meijerhof neem ik graag over.
De heer Klomp heeft gevraagd, of de reinigingspolitie
ook op de watervervuiling moet letten. Die taak heeft
hij inderdaad. De moeilijkheid is, dat de mensen die
iets in het water gooien, dat doen op een moment, dat
niemand het ziet. Als de reinigingspolitie een dergelijke
overtreding signaleert, dan hangt de schuldige echt wel.
Het is een erg moeilijke taak. Het is een wat onbevre
digend antwoord, maar ik kan geen beter antwoord
geven.
We kunnen nu wel van dit onderdeel afstappen. (De
heer B. P. van der Veen: Ik wil nog graag iets zeg
gen.) Ja, dat is ook zo. Is vraag 1 inderdaad door U
gesteld? (De heer B. P. van der Veen: Dat weet ik
op dit moment niet meer. Hij is zo goed; het zou dus
best kunnen.) (Gelach) Ik geef U dan nu het woord.
De heer B. P. van der Veen: Zonder dat ik de politie
daarmee een brevet van onvermogen wil geven die
mensen doen wat ze kunnen -, mag ik, dacht ik, wel
vaststellen, dat het in Leeuwarden aan de lopende band
erger wordt met vernielingen, inbraakjes en alle moge
lijke andere dingen. Leeuwarden is, dacht ik, een stad
met een vrij grote hoeveelheid criminaliteit. We zien
daar nogal wat nare dingen van; we zien bijv. vecht
partijen bij automatieken. Het zijn niet altijd Leeuwar
ders die daaraan schuldig zijn, maar ze zijn er wel bij.
We hebben nogal wat te maken met nachtelijk lawaai.
Ik dacht zelfs, dat er zo veel nachtelijk lawaai was, dat
de binnenstad, waarvan sommige mensen vinden, dat
ze zo leefbaar moet zijn, er bepaald onleefbaar door
wordt. De mensen verdwijnen ook uit de binnenstad.
Het aantal malen, dat geparkeerde auto's moedwillig
of niet-moedwillig vernield en beschadigd worden, is
legio. Enfin, iedereen die het genoegen heeft in het
centrum van de stad te wonen, kan dat dagelijks con
stateren. Iedereen die de veel geprezen Leeuwarder
Courant of andere kranten leest, kan zien, dat het aan
tal inbraken tegenwoordig ook aan de lopende band
toeneemt. Ik dacht zelfs, dat het aantal toevoegingen
welke de balie te verwerken krijgt, ook een indicatie in
die richting was. In zoverre is de kwestie van de orde
wel een zaak waar behoorlijk aandacht aan besteed
zou mogen worden. Nogmaals, ik wil niet zeggen, dat
de politie met de schaarse bemanning die ze heeft, daar
veel aan kan toe- of bijdragen, hoewel ik dat ook nau
welijks kan beoordelen. Ik hoor daar ook wel eens fei
telijke mededelingen over die me hier en daar een
vraagteken doen zetten. Dat dit een zorgelijke zaak
is, is, naar mijn gevoel, wel duidelijk. Dat was het
voorlopig.
De Voorzitter: Ik deel de zorg, die de heer Van der
Veen hier uit over het toenemende aantal vernielingen
en inbraken, dat wij helaas moeten constateren. Het
aantal inbraken is nog sterker toegenomen dan het
aantal vernielingen, dacht ik. Het vervult mij met grote
zorg, als ik de cijfers, die ik regelmatig onder ogen
krijg, zie. Ik vind het bijzonder jammer, dat wij in onze
samenleving een dergelijke ontwikkeling moeten con
stateren. Het is mij bekend stellig velen van U ook
dat dit geen Leeuwarder probleem is; het is helaas
een algemeen probleem in onze samenleving. Er zijn
stellig plaatsen waar het nog erger is, maar daarmee
wil ik niet zeggen, dat ik me geen zorgen maak. Het
is ook jammer, dat je je er zo betrekkelijk machteloos
tegenover voelt staan; ik ook, op mijn plaats en in
mijn positie. Ik kan U verzekeren, dat de politie poogt
te doen wat in haar vermogen ligt, maar daaraan zijn
duidelijk grenzen. Ik wil U nog wel zeggen, dat het
bij de genoemde overtredingen vooral gaat om bijzon
der jonge ménsen. Dat verontrust mij nog extra. Ik
geloof, dat het onze verantwoordelijkheid is, te trach
ten overal waar wij zijn en waar wij spreken ik
doe dat en praktisch iedereen in deze zaal doet dat
ons uiterste best te doen om criminaliteit zo veel mo
gelijk tegen te gaan. Maar wij zijn ons allen bewust
van de vrij geringe mogelijkheden die wij daarbij heb
ben. Uiteindelijk is dit ook ergens een stuk problema
tiek van de hele ontwikkeling en opvoeding van de
jeugd.
Het enige positieve, dat wij als Gemeentebestuur
kunnen doen wij moeten ons van deze taak bewust
zijn is het bevorderen van de sportbeoefening. God
zij dank, kan ik zeggen, dat we daarbij in Leeuwarden
voorop lopen. Wij doen nu ook echt ons best zoveel
mogelijk voorzieningen voor de jeugd tot stand te
brengen. En dat is, dacht ik, het meest positieve, dat
wij als Gemeentebestuur kunnen doen. Ik laat dan even
buiten beschouwing wat wij op andere plaatsen kun
nen doen. Het is onze plicht, als Gemeentebestuur
al is onze financiële positie dan ook een benarde -
op dit terrein echt door te gaan met te zorgen, dat
vooral deze jongere mensen op het terrein van sport
en ontspanning voldoende mogelijkheden hebben en zo
weinig mogelijk aanleiding hebben om het slechte pad
op te gaan. Dat is mijn reactie op de ernstige woor
den van de heer Van der Veen.
Een korte kanttekening nog over het nachtelijk la
waai. Dat is op zich een ietwat ander probleem. Ik wil
U zeggen, dat er bepaalde mensen zijn, die mij wel eens
verweten hebben, dat ik zo soepel ben geweest met de
kwestie van het geven van nachtvergunningen e.d. Ik
zeg U heel openhartig, dat ik er geen spijt van heb,
dat ik dit gedaan heb. Ik ben van mening, dat, als wij
werkelijk menen in een stad te leven, dit erbij hoort.
Er zijn mensen en vooral veel jonge mensen die dat
hoeft helemaal niet verkeerd te zijn de avond en
een deel van de nacht uit willen gaan. Dat kun je te
gengaan. Maar dan dacht ik, dat je dan alleen maar
dat andere - waar we het zojuist over hadden zou
stimuleren. Het is uiteindelijk beter, dat men zich met
elkaar in dit soort gelegenheden bevindt, dan dat men
gaat vernielen of inbreken. Het klinkt een beetje gek,
maar toch is het zo. (De heer B. P. van der Veen: Het
zijn dezelfde mensen.) Nee, dat hoeft niet. Zo mag U
het niet stellen. Dat is mij te algemeen gesteld. Ik on
derschrijf stellig niet, dat de mensen die jong zijn ik
ben dat ook geweest en 's avonds uitgaan, daarna
gaan inbreken of vernielen. Helaas is er een klein per
centage dat dat doet. Maar we mogen het niet aan
elkaar koppelen. Het is een feit, dat, als je het uitgaan
tolereert, het druk is in de binnenstad. Dat is heel
duidelijk een nadelige factor van het feit, dat de bin
nenstad tevens woongebied is. Ik maak me er ook geen
enkele illusie over, dat dit in de toekomst is te combi
neren. Ik heb op verschillende plaatsen duidelijk ge
zegd, dat, als wij in de toekomst woonmogelijkheden
willen bevorderen in de binnenstad, zich dat duidelijk
zal moeten voltrekken op die plaatsen en in die straten
en dat is mogelijk waar geen nachtkroegen e.d.
zijn. Die plaatsen zijn er; dat onderscheid moeten we
maken. Maar de mensen die de illusie hebben, dat we
vlak bij die kroegen leuke woningen kunnen bouwen,
moet ik zeggen, dat er een heel kleine groep mensen
animo zal hebben om daar te gaan wonen. Die com
binatie is niet mogelijk. Als je iets doet, moet je daar
van de consequenties trekken. We hoeven hier ook niet
gelijk over te denken. Ik zeg dus alleen ik weet echt
de schaduwzijde wel dat je balans op moet maken.
Wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen. Nogmaals,
ik geloof, dat het een goede zaak is geweest, dat Leeu
warden voor dit beleid heeft gekozen. Als Leeuwarden
stad wil zijn, centrum van de provincie wil zijn, mee
wil doen, dan hebben we geen keus. Ik zeg nog eens,
dat er mensen in Leeuwarden zijn die dit standpunt niet
delen. Dat kan ik best respecteren, maar ik zeg U wat
mijn mening hierover is.
Volgnos. 106 en 108.
De heer Van Haaren: Bij de vorige begrotingsbe
handeling hebben wij al het een en ander over de B.B.
gezegd. Toen is ons geantwoord, dat deze organisatie
zou uitgroeien tot een organisatie voor hulp bij ram
pen in vredestijd. De heer Vellenga heeft dat o.a. ook
nog naar voren gebracht. Er is over de ontwikkeling
van de B.B. in deze richting een vraag gesteld (blz. 15,
vraag 1) en ik moet constateren, dat de vorig jaar
aangekondigde ontwikkeling niet gerealiseerd is. Ik
blijf van oordeel, dat het geld, dat aan de B.B. besteed
wordt, volkomen nutteloos besteed wordt. (De Voor
zitter: Welke ontwikkeling is niet gerealiseerd, mijn
heer Van Haaren De B.B. zou geïncorporeerd wor
den in een rampenorganisatie in vredestijd. Daar is
heel weinig van terecht gekomen. Persoonlijk beleef ik
en velen met mij de B.B. als een orgaan tot in
standhouding van de koude oorlog, iets wat volstrekt
nutteloos is. Wij zien veel liever, dat het geld, dat nu
aan de B.B. wordt besteed, naar de Brandweer en de
G.G.D. gaat. Wij willen bekijken, of, wat in Amsterdam
zeer recent is gebeurd, ook in Leeuwarden mogelijk is,
n.l. via een motie te vragen de gelden voor de B.B. van
de begroting af te voeren. Wij weten ook wel, dat de
Provincie die gelden er dan weer op zet, maar wij zien
het meer als een demonstratie tegen de B.B. Wij ver
werpen deze organisatie ten zeerste.
De Voorzitter: Op dat laatste hoef ik niet in te
gaan. Ten aanzien daarvan wacht ik rustig af wat U
bij de plenaire zitting doet. Dat zijn Uw zaken, niet de
mijne. (De heer Van Haaren: Wilt U dit punt dan
voor mij noteren.) Wij zullen het doen.
Ik heb er wel behoefte aan in te gaan op Uw opmer
king, dat er weinig terecht is gekomen van de ont
wikkeling van de B.B. in de richting van een rampen
organisatie. Dat is een conclusie die U trekt. (De heer
Van Haaren: Ja.) U zegt ja, maar daarom is die con
clusie nog niet juist. Het is voor U misschien moeilijk
te begrijpen, maar dit soort ontwikkelingen voltrekken
zich niet in één dag. Er wordt erg serieus gewerkt aan
een herstructurering van de hulpverleningsorganisaties.
Ik heb er persoonlijk het volste vertrouwen in, dat er op
langere termijn een juiste oplossing gevonden wordt.
Op dit moment wordt gewerkt aan een nauw samen
spel tussen de B.B. en de andere hulpverleningsorgani
saties. Op langere termijn gezien, zullen we er stellig
naar streven om de B.B. daar helemaal in te doen op
gaan. Als U op dit moment nog niet hebt gesignaleerd,
dat dit is verwezenlijkt, dan mag U daaruit niet de con
clusie trekken, dat er niets aan gebeurt, want dat is
niet waar. Er wordt hard aan gewerkt, ook door mij op
de verschillende plaatsen waar ik er mee te maken
heb, zowel in nationaal als in provinciaal verband.
Wij hebben genoteerd, dat de heer Van Haaren in de
plenaire zitting het woord wenst te voeren over de
B.B.-aangelegenheid.
De Voorzitter sluit, om 22.30 uur, de vergadering.