II. 241—242.
UITGAVEN.
241 Pensioenen2.077,50
Deze post is als volgt samengesteld;
Hoofdstuk II:
pensioen van een oud-wethouder (welk pensioen op verzoek van belang
hebbende in verband met verlaging der wethouderssalarissen tot 90
wordt uitgekeerd)
pensioen van een weduwe van een overleden wethouder, voor zich en haar
minderjarig kind-
1.132,50
945,—
2.077,50
Eerstgenoemd pensioen is verleend op grond van de verordening vast
gesteld bij raadsbesluit van 7 Juli 1914 (Gemeenteblad no. 19/1914),
gewijzigd bij raadsbesluit van 27 November 1917 (Gemeenteblad no. 29/
1917), laatstgenoemd pensioen is verleend ingevolge de bepalingen der
verordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 18 November 1930, gewijzigd
bij raadsbesluit d.d. 24 September 1936, (Gemeenteblad no. 37/1936).
Hoofdstuk VIII, 2:
pensioen van een oud-schoolschoonmaakster- 66,
Hoofdstuk VIII, 13:
pensioen van een drietal oud-leeraressen aan de Meisjes H.B.S respectievelijk
400,—764,— en 364,—- 1.464,—
Deze pensioenen zijn toegekend op grond van de gemeentelijke pensioen
verordening (Gemeenteblad no. 2/1910).
Totaal3.607,50
De pensioenen vermeld onder Hoofdstuk VIII, 2 en 13 worden aangevuld met de
onder volgno. 244 uitgetrokken gratificaties.
Bijdragen voor eigen en weduwen- en weezenpensioen ingevolge artikel 36 der Pensioenwet
IQ22 Staatsblad no. 240)34.375,15
De krachtens artikel 36 der Pensioenwet 1922 aan het Algemeen Burgerlijk Pensioen
fonds te betalen bijdragen bedragen jaarlijks:
a. voor het ambtenaren-pensioen 10 van het gemiddelde van de gezamenlijke pensioens
grondslagen op 15 Maart en 15 September der op die tijdstippen in dienst zijnde
ambtenaren; uit de toelichting op volgno. 239 blijkt, dat deze bijdragen niet zijn ver
schuldigd voor de op 1 Mei 1913 reeds in dienst dezer gemeente zijnde ambtenaren;
b. voor het weduwen- en weezenpensioen 5 1/2% van het gemiddelde van de gezamenlijke
pensioensgrondslagen der op evengenoemde data in dienst zijnde ambtenaren.
Ingevolge 16 der Wet van 29 November 1935, (Staatsblad no. 685) tot verlaging
van de openbare uitgaven (ingevolge K. B. van 16 December 1935, Staatsblad no. 706,
in werking getreden op 1 Januari 1936) wordt het totaal der bijdragen, bedoeld in artikel 36,
eerste lid, onder u en i gedurende het tijdvak van 1 Januari 19361 Januari 1941 ver
minderd met 1 van het gemiddelde der gezamenlijke pensioensgrondslagen op 15 Maart
en 15 September.
De raming is geschied naar de laatst bekende totaalsom der pensioensgrondslagen op
15 Maart 1938.
Voor de onderwijzers bij het openbaar lager en uitgebreid lager onderwijs, wier wedden
door het Rijk aan de gemeente worden vergoed, is de gemeente geen pensioensbijdragen
verschuldigd. Wel moet zij hare tusschenkomst verleenen tot inhouding van pensioens
bijdragen op de wedden van deze ambtenaren en het ingehouden bedrag jaarlijks in 's Rijks
kas storten.
In deze raming is hiervoor begrepenHoofdstuk VIII, 223.990,
Hoofdstuk VIII, 4 - 5.270,—
29.260,—
In ontvangst is een zelfde bedrag geraamd wegens verhaal van deze bijdragen. (Volgno. 13)
In totaal is verschuldigd ƒ225,345,68, verdeeld over verschillende hoofdstukken.
54
II. 243—247.
UITGAVEN.
243 Bijdragen voor inkoop van pensioen ingevolge de artt. 40, 42a en 135 der Pensioenwet i()22
{Staatsblad no. 240301,20
In totaal geraamd op 1.936,—, te verdeden over verschillende hoofdstukken.
Op grond van de artikelen 40, 42a en 134 der Pensioenwet 1922 kunnen tijdelijke dienst
tijd en op wachtgeld doorgebrachte tijd voor pensioen worden ingekocht. De deswege
door de gemeente aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds verschuldigde bijdragen
worden volgens bij Koninklijk besluit vastgestelde tarieven vastgesteld door den Pensioen
raad en betaald in 10 jaarlijksche termijnen, wat betreft die bedoeld in de artikelen 40 en
42a, en in 15 jaar wat betreft die, bedoeld in artikel 135. Laatstgenoemd artikel betreft
alleen inkoop van diensttijd bewezen vóór 1 Juli 1922.
244 Gratificatiën en toelagen aan eervol ontslagen gemeente ambtenaren of aan weduwen van
gemeente-ambtenarenf
Deze post is als volgt samengesteld:
Hoofdstuk VI:
gratificatie aan de weduwe van een hulp-doodgraver27,50
Hoofdstuk VIII, 2:
gratificatie aan een oud-schoolschoonmaakster27,
gratificatie aan een oud-onderwijzer in de lichamelijke oefening,
toegekend ingevolge raadsbesluit d.d. 9 November 1920 - 455,
482,—
Hoofdstuk VIII, 13.
gratificatie aan een drietal oud-leeraressen aan de Meisjes H.B.S. (resp.
160,—, 280,— en 146)- 586,—
Totaal1.095,50
De gratificatiën onder Hoofdstukken VI, VIII 2 (voorzooveel betreft de oud-school
schoonmaakster) en VIII 13 zijn toegekend ingevolge raadsbesluiten d.d. 22 October
1918, 22/29 December 1919 en 27 December 1920 (gewijzigd 13 April 1926) in verband
met de wet van 29 Mei 1920, Staatsblad no. 283, tot verhooging van Rijkspensioenen.
24 Verhooging van pensioeneningevolge de wet van 2Q Mei IQ20, {Staatsblad no. 283).76,80
Hoofdstuk II:
verhooging van pensioen van een oud-schoonmaakster van de opge
heven Bank van Leening 76,80
Hoofdstuk III
idem van een tweetal agenten van politie (resp. 148,en f 67,- 215,
Totaal291,80
Deze verhoogingen van pensioen zijn toegekend op grond van de onder volgno. 244
genoemde besluiten.
246 Renten van geldleeningen12.104.03
Zie volgno. 247.
24' Aflossing van geldleeningen21.958,63
Wegens rente en aflossing van geldleeningen komen ten laste van de verschillende
hoofdstukken en paragrafen de volgende bedragen:
55