J8 Verslag van de vergadering op donderdag 13 maart 1975 van de afdeling III van de gemeenteraad ter voorbereiding van de behandeling van de Ontwerp-begrotingen voor 1975. Aanwezig van de afdeling mevrouw G. Visscher- Bouwer en de heren ir. C.G.H. Geerts, O. Heidinga, J.F. Janssen, J. de Jong (tot de tweede koffiepauze), W. Miedema en ir. C.L. Rijpma (weth.). Aanwezige overige raadsleden: mevrouw E. Branden- burg-Sjoerdsma en de heren J. de Beer, S. Bouma (van 20.00 uur tot de tweede koffiepauze), J. ten Brug (weth.), G.F. Eijgelaar (weth.) (van 22.00 uur tot de tweede koffiepauze), drs. M.H.G. de Greef, J. Hoekstra (tot de tweede koffiepauze), H. ten Hoeve, C. de Jong (tot 23.35 uur), A. Klomp, J. Knol (tot de tweede kof fiepauze), W.S.P.P. de Leeuw (tot de eerste koffie pauze), A. Pronk, K. Spoelstra en N. Sterk (tot de eerste koffiepauze). Voorzitter: de heer J.S. Brandsma, burgemeester. Voorts zijn aanwezig: de heren H. Achterhof, direc teur Stedebouw en Bouwkunde van de Dienst Stads ontwikkeling, P. de Boer, ambtenaar van de afdeling Financiën en Belastingen, drs. A.J. Burger, ambtenaar van de afdeling Economische Zaken, Beleidsplanning en Organisatie, L.D. Corée, directeur Grondbedrijf van de Dienst Stadsontwikkeling, G. Fuykschot, hoofd van de afdeling Economische Zaken, Beleidsplanning en Organisatie (tot de tweede koffiepauze), P.P. de Jong, secretaris, ir. J.J. Muller, directeur Openbare Werken van de Dienst Stadsontwikkeling, J. van der Wal, hoofddirecteur van de Dienst Stadsontwikkeling, J. Wijngaarden, hoofd van de afdeling Volkshuisvesting en Openbare Werken, en C. IJsbrandij, hoofd van de afdeling Financiën en Belastingen. Te behandelen: Par. 3. Beleidssector Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken. De Voorzitter: Dames en heren, ik stel voor dat wij met onze werkzaamheden beginnen. Ik heet u har telijk welkom op deze afdelingsvergadering. Voor de raadsleden die nog niet eerder een afde lingsvergadering hebben bijgewoond wil ik nog even zeggen dat wij, in tegenstelling tot de discussies in de raadsvergaderingen, maar in één instantie spreken. Wij zijn daar meestal nogal soepel mee, maar ik zou u met klem willen vragen er wat deze afdeling be treft wel de hand aan te houden; ik vraag dat alleen maar op grond van het feit dat wij vanavond een groot aantal vragen moeten behandelen. Ik heb zelfs enige aarzeling of wij er vanavond wel door komen. Als wij ons niet zoveel mogelijk houden aan die ene instantie staat het wel vast dat wij het vanavond niet redden. Mochten wij er vanavond niet door komen ik hoop dat dat wel zo zal zijn dan zal de vergade ring worden voortgezet op woensdag, 19 maart a.s.; dat is de enige avond die nog vrij is de komende weken. Dan nog een puntje van huishoudelijke aard. De paragraaf die vanavond aan de orde is is onderver deeld in 5 hoofdstukken die niet verder onderverdeeld zijn. Daarom zal ik steeds de nummers noemen van de punten die wij tegelijk gaan behandelen. Wij moeten deze werkwijze wel volgen want wij kunnen onmoge lijk een heel hoofdstuk tegelijk behandelen. Nog een laatste puntje. De leden van de afdeling krijgen het eerst gelegenheid het woord te voeren en daarna kunnen, voor zover daaraan behoefte is, an dere raadsleden het woord voeren. PAR. 3. BELEIDSSECTOR RUIMTELIJKE ORDENING EN OPENBARE WERKEN. A. Dienst Stadsontwikkeling. Punten 79 t.e.m. 89. De heer Janssen: Ik zou nog graag een aanvul ling hebben op het antwoord dat u hebt gegeven op vraag 83 (coördinatie werkzaamheden Plantsoenen dienst en Dienst voor Sport en Recreatie). U schrijft dat er periodiek overleg tussen de Dienst Stadsont wikkeling en de Dienst voor Sport en Recreatie plaats zal vinden. Hoe intensief wordt dat overleg, iedere week, eenmaal in de veertien dagen, eenmaal in de maand? Hoe denkt u dat overleg te voeren? De heer Geerts: Vraag 82 (aantrekken van tijde lijke werkkrachten i.v.m. pieken in de werkzaamhe den) heeft te maken met de grootte van de Stede- bouwkundige Dienst en de filosofie over de vraag hoe je pieken wilt opvangen in de werkzaamheden van de ze dienst. Je kan die pieken opvangen door deskundi gen van buiten aan te trekken, je kan het ook binnen de eigen dienst oplossen door extra werkzaamheden op te vangen met tijdelijke werkkrachten. U zegt in uw antwoord dat het niet zo zinvol is gebruik te ma ken van tijdelijke werkkrachten, maar het is mij be kend dat een aantal andere gemeenten dit wel doen en dat dit systeem daar ook goed werkt. Ik moet u zeggen dat ik dat systeem prefereer boven het aan trekken van deskundigen van buiten. Ik geloof n.l. dat het voor de gemeente een heel goede zaak is als wij een Stedebouwkundige Dienst hebben die alle werkzaamhe den uitvoert, zowel de normale als de bijzondere werk zaamheden. Ik zou er sterk voor willen pleiten dat de dienst zodanig wordt samengesteld dat het mogelijk is deze werkzaamheden te doen; als er bijzondere om standigheden zijn zou de mogelijkheid overwogen moe ten worden voor pieken in de werkzaamheden tijde lijke werkkrachten aan te trekken. De heer Heidinga: De punten 79, 80 en 81 betref fen opdrachten aan particuliere bureaus. De raad heeft besloten dat alleen de bestemmingsplannen voor de binnenstad gemaakt zullen worden door de D.S.O. Al het overige zal worden uitbesteed. Waarom houdt het college zich niet aan dit raadsbesluit De heer Ten Hoeve: Vraag 88 gaat over twee disci plines bij de Dienst Stadsontwikkeling, architectuur van de woonomgeving en monumentenzorg. U geeft in uw antwoord aan waarom de discipline monumen tenzorg voorlopig niet wordt ingebouwd bij de dienst. U gaat eigenlijk niet in op de andere discipline, de architectuur van de woonomgeving. U verwijst wel naar het antwoord op vraag 87 waarin het om pro jectgroepen gaat. U stelt dat u even wilt afwachten of het noodzakelijk is bepaalde deskundigheden binnen de dienst te hebben. Ik geloof dat het i.v.m. de ontwikke lingen die voor ons liggen, voor een groot deel her inrichting van de binnenstad maar ook van de schil en andere gebieden, per se gewenst is dat er bij de dienst iemand komt die daar speciaal mee wordt be last. Of daar iemand voor aangetrokken moet worden zet ik een vraagteken bij. Misschien moet er i.v.m. de personeelsbezetting eerder gedacht worden aan het speciaal belasten van een al aanwezige kracht met de ze zaak. Ik zou er zeer sterk voor willen pleiten dat er iemand met dit onderdeel wordt belast. Vraag 89 betreft de huisvesting van de Dienst Stads ontwikkeling. Er wordt gevraagd welk standpunt u ten aanzien daarvan inneemt. U geeft geen antwoord op die vraag. U zegt dat er een aantal mogelijkheden zijn, maar u zegt niet in welke richting u denkt. Wij hebben bij de stukken een uitvoerig rapport toege zonden gekregen van de medezeggenschapscommissie van de dienst. Daarin wordt gesproken over het bou wen van een stuk bij het kantoor van de D.S.O. Daar over wordt in dit antwoord niet gesproken. Ik wil graag van u weten waar u aan denkt. Er worden nog allerlei mogelijkheden open gehouden, maar een rich ting wordt niet bepaald. De heer De Greef: Vraag 85 betreft de reorganisa tie van de D.S.O. Ik dacht dat wij de eerste fase had den gehad van de projectgerichte organisatie en dat Twijnstra en Gudde daarover hadden gerapporteerd. Ik zou willen vragen of de rapportage van het advies bureau nu helemaal is beëindigd of dat er nog meer komt. De heer Geerts is n.a.v. vraag 82 eigenlijk ook al even ingegaan op vraag 87. Wij zijn nogal onder de

Historisch Centrum Leeuwarden

Raadsverslagen van de gemeente Leeuwarden, 1865-2007 (Notulen) | 1975 | | pagina 1